1. Joh. De Doper doopte geen zuigelingen. Hij drong aan op bekering alvorens men zich liet dopen. Matth. 3:16. Hand 2:38. De zuigeling heeft geen opzettelijke of onopzettelijke zonden.

2. Door de besprenging wordt het kind beroofd van het voorrecht om later door persoonlijke gehoorzaamheid zich de betekenis van de doop te realiseren.

3. Bij de doop wordt alle gerechtigheid vervuld zuigelingen missen de gerechtigheid die alleen door geloof verkregen
wordt.

4. De doop is een bede v.e. goed geweten tot God. I Petr. 3:21. De baby weet niet wat goed of kwaad is.
5. Wie gelooft (Marc. 16:16). Een baby kan nog niet geloven.

6. Aan de doop gaat de prediking en onderwijzing vooraf (Matth. 28:19).

7. De apostelen doopten geen zuigelingen. Zij dan, die zijn Woord aanvaarden, lieten zich dopen (Hand. 2:41)

8. In de Jordaan was veel water (Marc. 1:9/Joh. 3:23) Bij besprenging gebruikt men weinig water. Dopen is onderdompelen.

9. De doop is het bad der wedergeboorte (Tit. 3:5) Bij zuigelingen is er geen sprake van wedergeboorte, want het natuurlijke is eerst en dan het geestelijke.

10. Hand. 8:36,38,39. Beiden daalden zij af in het water zowel Philippus als de kamerling. Bij de kinderdoop is de baby passief, noch de doper noch de dopeling bevinden zich in het water en kunnen derhalve er ook niet uit komen.